Category: Voedingswaarden & begrippen

Alle waarden per product, plus uitleg van voedingswoorden in gewone taal.

  • Hoeveel fruit per dag is gezond? Dit zijn de richtlijnen

    Hoeveel fruit per dag is gezond? Dit zijn de richtlijnen

    De aanbevolen hoeveelheid fruit per dag is 200 gram. Dat is de richtlijn van het Voedingscentrum voor volwassenen. In de praktijk halen de meeste Nederlanders dat niet: gemiddeld eten we zo’n 135 gram fruit per dag, wat betekent dat we er als land gemiddeld zo’n 65 gram onder zitten.

    200 gram klinkt misschien abstract, maar dat is concreter dan je denkt. Een middelgrote appel weegt al snel 150 gram, een banaan gemiddeld 100 gram en een handvol aardbeien (zo’n 10 stuks) kom je ook snel aan 100 gram. Je hoeft dus geen fruit te wegen als je eenmaal weet hoe het eruitziet.

    Wat telt mee als die 200 gram fruit per dag?

    Vers fruit telt volledig mee. Denk aan appels, bananen, peren, sinaasappels, mandarijnen, aardbeien en druiven. Dit zijn ook de meest gegeten fruitsoorten in Nederland. Maar ook fruit uit de diepvries, of fruit op sap (zonder toegevoegde suikers) telt mee, al heeft vers fruit over het algemeen de voorkeur.

    Vruchtensap telt maar gedeeltelijk mee. Een glas puur vruchtensap (150 ml) kun je zien als maximaal één portie, ook al drink je meer. Dat komt doordat in sap de vezels grotendeels verdwenen zijn en de suikers sneller in je bloed terechtkomen dan bij heel fruit. Gedroogd fruit, zoals rozijnen of dadels, telt ook mee, maar bevat veel meer suiker per gram dan vers fruit. Een kleine portie gaat een heel eind.

    Hoeveel fruit per dag voor kinderen?

    Voor kinderen gelden lagere aanbevelingen dan voor volwassenen. Jonge kinderen (2 tot 5 jaar) hebben genoeg aan ongeveer 150 gram per dag. Oudere kinderen en tieners zitten daar tussenin en kunnen groeien naar de 200 gram van volwassenen. De richtlijn is niet in beton gegoten per leeftijdsjaar, maar als vuistregel geldt: hoe kleiner het kind, hoe kleiner de portie.

    Kun je te veel fruit eten?

    Fruit bevat van nature suikers (voornamelijk fructose). Voor de meeste mensen is dat bij normale hoeveelheden geen probleem, omdat de vezels in fruit ervoor zorgen dat de suikers langzamer worden opgenomen. Maar als je dagelijks ver boven de 300 à 400 gram zit en ook nog veel ander suikerrijk voedsel eet, kan dat op termijn wel bijdragen aan een te hoge suikerinname.

    Voor mensen met diabetes of een aandoening waarbij de bloedsuiker goed in de gaten gehouden moet worden, is het verstandig om de hoeveelheid fruit en de keuze van fruitsoorten te bespreken met een diëtist. Sommige fruitsoorten (zoals druiven of rijpe bananen) hebben een hogere glycemische index dan andere (zoals bessen of een groene appel).

    Praktisch: zo kom je aan 200 gram per dag

    De makkelijkste manier is om fruit op een vast moment van de dag te eten, zodat het een gewoonte wordt. Een paar concrete voorbeelden:

    • 1 appel (150 g) + een handje aardbeien (60 g) = 210 g
    • 1 banaan (100 g) + 1 mandarijn (80 g) = 180 g (net iets eronder, maar prima)
    • Een schaaltje gemengd fruit van 200 g als tussendoortje = precies goed
    • Een handje blauwe bessen (50 g) door de yoghurt + een peer (150 g) = 200 g

    Je hoeft niet alles in één keer te eten. Over de dag verspreid werkt minstens even goed, en voor veel mensen ook makkelijker vol te houden.

    De aanbeveling van 200 gram fruit per dag is geen strenge grens, maar een bruikbaar doel. Als je nu op 135 gram zit, is elke extra portie al winst. Kies fruit dat je lekker vindt, wissel af en combineer het met groenten voor een breed aanbod aan vitaminen en vezels.

  • Calorimeter: wat het is en hoe het werkt

    Calorimeter: wat het is en hoe het werkt

    Een calorimeter is een goed geïsoleerd vat waarmee je de warmtecapaciteit van een stof bepaalt of de hoeveelheid warmte meet die vrijkomt of opgenomen wordt bij een chemische of fysische reactie. Het woord komt van calor, het Latijnse woord voor warmte. In de praktijk gebruik je een calorimeter overal waar je precies wilt weten hoeveel energie er bij een proces vrijkomt of verdwijnt.

    De werking berust op een eenvoudig principe: je isoleert het systeem zo goed mogelijk van de omgeving, zodat alle vrijgekomen warmte in het meetvat blijft. Door de temperatuurverandering te meten en de warmtecapaciteit van het vat en de inhoud te kennen, bereken je de warmte die bij de reactie of het proces betrokken is.

    Hoe werkt een calorimeter precies?

    De kern van elke calorimeter is isolatie. Hoe minder warmte er weglekt naar de omgeving, hoe nauwkeuriger de meting. Binnen in het vat bevindt zich een vloeistof, meestal water, waarin de reactie plaatsvindt of het te meten voorwerp wordt geplaatst. Een thermometer of temperatuursensor meet de temperatuurverandering.

    De basisformule die hierbij hoort is: Q = m × c × ΔT. Daarin is Q de hoeveelheid warmte (in joule), m de massa van de vloeistof (in gram of kilogram), c de soortelijke warmtecapaciteit van de vloeistof (voor water is dat 4,18 J per gram per graden Celsius), en ΔT de temperatuurverandering. Stel dat je 200 gram water gebruikt en de temperatuur stijgt met 5 graden Celsius, dan is de gemeten warmte 200 × 4,18 × 5 = 4180 joule.

    In de praktijk houd je ook rekening met de warmtecapaciteit van het vat zelf, de zogeheten calorimeterconstante. Die bepaal je vooraf met een bekende reactie of warmtebron.

    Soorten calorimeters

    Er zijn verschillende typen, elk geschikt voor een ander doel:

    • Bommencalorimeter (of verbrandingscalorimeter): een zwaarwandige stalen kamer onder hoge zuurstofdruk, waarmee je de verbrandingsenergie van een stof nauwkeurig meet. Voedingsproducenten gebruiken dit apparaat om de calorische waarde van voedingsmiddelen te bepalen.
    • Koffiebekerscalorimeter: een eenvoudige opstelling van twee gestapelde piepschuim bekers. Niet erg nauwkeurig, maar goedkoop en bruikbaar voor scheikundelessen op school.
    • Differentiële scannende calorimeter (DSC): een geavanceerd instrument dat het verschil in warmteabsorptie meet tussen een monster en een referentie bij een gecontroleerde temperatuurverandering. Veel gebruikt in de materiaalwetenschap en farmaceutische industrie.
    • Isothermische titrationcalorimeter (ITC): meet warmteveranderingen bij het mengen van twee stoffen, en is populair in de biochemie om bindingsreacties tussen moleculen te onderzoeken.

    Toepassingen in wetenschap en industrie

    Calorimeters duiken op in verrassend veel sectoren. In de voedingsindustrie bepalen fabrikanten met een bommencalorimeter hoeveel kilocalorieën er in een product zitten. Die waarde verschijnt uiteindelijk op het voedingsetiket. In de chemische industrie gebruik je calorimetrie om te controleren of een reactie gevaarlijk veel warmte vrijgeeft, zodat je veilige productieomstandigheden kunt ontwerpen.

    In de deeltjesfysica zijn calorimeters grote detectoren die de energie meten van deeltjes die vrijkomen bij botsingen in versnellers zoals de LHC bij CERN. Die calorimeters werken op een ander principe dan laboratoriumversies, maar het idee is hetzelfde: energiemeting door het meten van een effect van warmte of ionisatie.

    In de bouwkunde en materiaalkunde gebruik je een DSC om te achterhalen bij welke temperatuur een materiaal van fase verandert, smelt of uithardt. Dat is nuttige informatie voor isolatiemateriaal of kunststofverwerking.

    Foutenbronnen bij calorimetrie

    Geen calorimeter is perfect. De grootste fout in eenvoudige opstellingen is warmteverlies naar de omgeving. Zelfs piepschuim isoleert niet volledig. Verder kan het roeren van de vloeistof warmte toevoegen, en het meten met een thermometer kost tijd, waardoor je de piektemperatuur kunt missen.

    Bij professionele calorimeters los je dit deels op door de opstelling in een tweede, gecontroleerde omgeving te plaatsen (een zogenaamd adiabatisch systeem), zodat er geen netto warmteoverdracht plaatsvindt met de buitenwereld. Hoe beter de isolatie en hoe gevoeliger de sensor, hoe kleiner de meetfout.

    Een calorimeter is daarmee een instrument dat in eenvoudige vorm al toegankelijk is voor middelbare scholieren, maar in geavanceerde versies hoort bij de meest precieze meetapparaten in de moderne wetenschap. Het principe blijft in alle gevallen hetzelfde: meet de temperatuurverandering en bereken de bijbehorende energie.

  • Gezond drinken: de beste keuzes op een rij

    Gezond drinken: de beste keuzes op een rij

    Gezond drinken begint met water. Het is de beste keuze voor je lichaam: geen calorieën, geen suiker en het houdt je goed gehydrateerd. Maar er zijn meer dranken die prima passen in een gezond drinkpatroon, en een paar die je beter kunt beperken of vermijden.

    Water: de basis van gezond drinken

    Gewoon kraanwater is de gezondste drank die er is. Het bevat geen calorieën, geen suiker en geen toevoegingen. Voor de meeste volwassenen geldt een richtlijn van ongeveer 1,5 tot 2 liter vocht per dag, al verschilt dat per persoon, bij sport of warm weer heb je meer nodig. Vind je water te saai? Voeg een schijfje citroen, komkommer of een takje munt toe. Dat geeft smaak zonder dat er suiker of calorieën bijkomen.

    Bruisend water is een goede vervanger als je behoefte hebt aan iets met een beetje pit. Prik heeft geen nadelen voor je gezondheid, zolang er geen suiker of smaakmakers aan toegevoegd zijn. Controleer altijd even het etiket, want sommige bruisende waters hebben verborgen toegevoegde suikers.

    Thee en koffie: prima met mate

    Ongezoete thee, zowel groene als zwarte of kruidenthee, is een goede keuze. Thee bevat antioxidanten en heeft geen calorieën zolang je er geen suiker in doet. Koffie mag ook: onderzoek wijst uit dat een paar koppen per dag voor de meeste mensen geen nadelen heeft en zelfs gunstige effecten kan hebben. Het gaat mis als je koffie drinkt met veel suiker, slagroom of zoete siropen. Dan verandert een gezonde drank snel in een suikerbom.

    Sap, groentesap en light-dranken

    Vruchtensap bevat van nature veel suiker, ook als er niets aan toegevoegd is. Een klein glas (zo’n 150 ml) per dag is prima, maar meer is niet verstandig. Een betere variant is sap halverwege mengen met water, zo krijg je de smaak met minder suiker per glas. Groentesap is een gezondere optie dan vruchtensap: het bevat minder suiker en meer vezels en mineralen, al verlies je bij het persen wel wat voedingsstoffen ten opzichte van het eten van de groente zelf.

    Light- en zero-frisdranken bevatten geen suiker, maar wel zoetstoffen. Ze zijn beter dan gewone frisdrank, maar geen ideale keuze als dagelijkse gewoonte. Suikervrije limonade valt in dezelfde categorie. Wil je iets met smaak drinken, kies dan liever voor thee of water met fruit.

    Wat kun je beter vermijden?

    Gewone frisdranken, energiedrankjes en vruchtensappen in grote hoeveelheden bevatten veel suiker. Regelmatig suikerhoudende dranken drinken verhoogt het risico op overgewicht, diabetes type 2 en tandbederf. Alcohol is ook geen gezonde drank, ook niet met mate. Voedings- en gezondheidsorganisaties zijn steeds duidelijker: er is geen veilige ondergrens voor alcohol als het om gezondheidsrisico’s gaat.

    Praktisch overzicht: van beste naar minste keuze

    • Water (plat of bruisend, ongezoet): beste keuze, drink hier het meeste van
    • Ongezoete thee en koffie: goed, met mate
    • Groentesap: goede aanvulling, let op zoutgehalte bij kant-en-klare varianten
    • Vruchtensap halfom met water: redelijke keuze, beter dan puur sap
    • Puur vruchtensap: beperken tot een klein glas per dag
    • Light- en zero-frisdranken: beter dan suikerhoudende dranken, maar niet ideaal
    • Gewone frisdrank en energiedranken: zoveel mogelijk vermijden
    • Alcohol: vermijden als je gezondheid vooropstaat

    De eenvoudigste manier om gezonder te drinken is gewone frisdrank stap voor stap vervangen door water of ongezoete thee. Je hoeft niet alles in één keer te veranderen. Begin met één aanpassing, laat dat wennen en bouw van daaruit verder.

  • Body supplies: alles wat je moet weten over sportvoeding en supplementen

    Body supplies: alles wat je moet weten over sportvoeding en supplementen

    Body supplies zijn de sportvoeding en supplementen die je inneemt om je training te ondersteunen, spierherstel te versnellen of je prestaties te verbeteren. Denk aan eiwitten, creatine, aminozuren en andere voedingssupplementen die je naast je gewone voeding gebruikt. Ze zijn populair bij zowel recreatieve sporters als mensen die serieus aan krachtsport of duursport doen.

    De term “body supplies” verwijst dus specifiek naar de categorie supplementen en sportvoeding die gericht is op het lichaam: spieropbouw, herstel en energielevering. Het is een breed aanbod, en het loont om te weten wat elk product doet voordat je het koopt.

    De meest gebruikte body supplies op een rij

    De basis van de meeste supplementenschappen bestaat uit een paar vaste categorieën. Hieronder zie je welke producten het vaakst worden gebruikt en wat ze doen:

    • Eiwitten (proteïne): de bekendste categorie. Whey-proteïne is de meest gebruikte variant, gemaakt van wei-eiwit. Het helpt spieren te herstellen en op te bouwen na een training. Je neemt het typisch als shake direct na het sporten.
    • Creatine: een van de best onderzochte supplementen. Creatine verhoogt de beschikbare energie tijdens korte, explosieve inspanningen zoals zwaar tillen of sprinten. Het zit van nature in vlees en vis, maar via suppletie krijg je een hogere concentratie.
    • Aminozuren: de bouwstenen van eiwitten. BCAA’s (vertakte-keten aminozuren) zoals leucine, isoleucine en valine worden los verkocht om spierafbraak tegen te gaan, vooral bij langdurige trainingen of op een caloriearm dieet.
    • Pre-workout: een mix van ingrediënten, vaak met cafeïne, die je energie en focus vóór de training verhogen. Populair, maar niet voor iedereen geschikt vanwege de hoge cafeïnedosis.
    • Weight gainers: koolhydraat- en eiwitrijke shakes bedoeld voor mensen die moeite hebben voldoende calorieën binnen te krijgen.

    Wanneer zijn body supplies zinvol?

    Supplementen zijn pas nuttig als je voeding op orde is. Ze vullen aan, ze vervangen geen maaltijden. Iemand die nauwelijks traint en slecht eet, heeft weinig baat bij creatine of eiwitshakes. Maar als je drie keer per week intensief sport en via voeding niet genoeg eiwitten binnenkrijgt (richtlijn: ruwweg 1,6 tot 2,2 gram per kilogram lichaamsgewicht per dag voor actieve sporters), dan kan een eiwitshake een praktische aanvulling zijn.

    Creatine is zinvol voor krachtsporters en iedereen die aan explosieve sporten doet. Het is niet zinvol voor duursporters zoals marathonlopers, waarbij het prestatiewinst nauwelijks is aangetoond. Pre-workout met veel cafeïne is af te raden als je gevoelig bent voor cafeïne, last hebt van hartkloppingen of ‘s avonds traint en daarna wilt slapen.

    Waar je op moet letten bij het kopen van body supplies

    Kwaliteit verschilt sterk tussen merken. Let op de volgende punten:

    • Ingrediëntenlijst: controleer hoeveel werkzame stof er per portie inzit. Bij eiwitpoeder wil je minimaal 20 gram eiwit per portie. Bij creatine is 3 tot 5 gram per dag de standaard dosering.
    • Derde partij testen: supplementen worden in veel landen minder streng gecontroleerd dan medicijnen. Kies producten die getest zijn door een onafhankelijke partij, zoals Informed Sport of NSF Certified for Sport. Dat is extra relevant als je aan wedstrijdsport doet en te maken hebt met dopingregels.
    • Toegevoegde suikers en vulstoffen: goedkopere producten bevatten soms veel suiker, kunstmatige zoetstoffen of vulstoffen. Dat is niet per se gevaarlijk, maar vergroot de calorieën zonder nutritionele waarde toe te voegen.
    • Prijs per gram eiwit: vergelijk producten niet op verpakkingsprijs, maar op prijs per gram eiwit of per gram creatine. Dat geeft een eerlijk beeld van de werkelijke waarde.

    Valkuilen bij het gebruik van sportvoeding

    Een veelgemaakte fout is denken dat meer altijd beter is. Extra eiwitten boven je dagelijkse behoefte worden gewoon omgezet in energie of opgeslagen als vet. Ze bouwen niet automatisch meer spier op. Hetzelfde geldt voor creatine: boven de aanbevolen dosering van 3 tot 5 gram per dag is er geen extra effect aangetoond.

    Sommige pre-workout supplementen bevatten hoeveelheden cafeïne die oplopen tot wel 300 milligram per portie. Dat staat gelijk aan drie sterke koppen koffie. Voor mensen die gevoelig zijn voor cafeïne kan dat hartkloppingen, slapeloosheid of angstgevoelens geven. Lees dus altijd de dosering voor je iets nieuw probeert.

    Tot slot: supplementen zijn geen vervanging voor een arts of diëtist. Als je specifieke doelen hebt, een medische aandoening hebt of serieus competitief sport, is advies van een sportdiëtist meer waard dan welk supplement dan ook.

    Veelgestelde vragen over body supplies

    Is creatine veilig voor langdurig gebruik?
    Ja, creatine is een van de veiligste en best onderzochte supplementen. Langdurig gebruik bij gezonde volwassenen is in meerdere studies veilig bevonden. Mensen met nieraandoeningen overleggen dit eerst met een arts.

    Heb je eiwitshakes nodig als je voldoende vlees, vis of peulvruchten eet?
    Nee. Een eiwitshake is alleen zinvol als je via voeding je eiwitbehoefte niet haalt. Het is een praktisch hulpmiddel, geen noodzaak.

    Mag je supplementen combineren?
    Veel combinaties zijn veilig, zoals eiwitpoeder met creatine. Wees voorzichtig met stapelen van meerdere pre-workout producten of stimulerende middelen tegelijk. De cafeïne kan dan snel te hoog oplopen.

    Zijn body supplies geschikt voor beginners?
    Beginners hebben in de eerste maanden van hun training weinig extra supplementen nodig. De trainingswinst in het begin is groot genoeg zonder hulpstoffen. Een goede voeding en consistent trainen gaan voor alles.

    Body supplies kunnen een zinvolle aanvulling zijn op je training, maar alleen als de basis klopt. Voeding, slaap en consistent trainen leveren meer op dan welk supplement dan ook. Zie supplementen als wat ze zijn: een aanvulling, niet de oplossing.

  • Waar zit veel probiotica in? De beste voedingsbronnen op een rij

    Waar zit veel probiotica in? De beste voedingsbronnen op een rij

    Veel probiotica zit in gefermenteerde voedingsmiddelen, zoals kefir, yoghurt, zuurkool, kimchi en kombucha. Dit zijn producten waarbij bacteriën of gisten een rol spelen bij het fermentatieproces, en diezelfde levende micro-organismen zitten daarna nog in het eindproduct. Hieronder vind je de belangrijkste bronnen, zodat je weet waar je de meeste levende bacteriën uithaalt.

    Kefir: de rijkste bron van probiotica in voeding

    Kefir staat bovenaan als het gaat om waar veel probiotica in zit. Het is een gefermenteerde melkdrank die gemaakt wordt met kefirkorrels, een combinatie van bacteriën en gisten. Kefir bevat tientallen verschillende stammen levende bacteriën, wat het diverser maakt dan de meeste yoghurts. Je kunt kefir kopen in de supermarkt of zelf maken met kefirkorrels. Let op: verhitte kefir bevat geen levende bacteriën meer, dus kies voor een gekoeld, ongepasteuriseerd product.

    Yoghurt met levende culturen

    Gewone yoghurt bevat van nature probiotische bacteriën, met name Lactobacillus bulgaricus en Streptococcus thermophilus. Niet alle yoghurt is echter gelijk. Verhitte of gesteriliseerde yoghurt bevat geen levende bacteriën meer. Kies voor yoghurt met de vermelding “levende culturen” of “actieve bacteriën” op de verpakking. Griekse yoghurt en volle yoghurt zijn goede opties, mits ongepasteuriseerd na fermentatie.

    Zuurkool en kimchi: gefermenteerde groenten

    Zuurkool is gefermenteerde witte kool en een klassieke Europese bron van probiotica. De fermentatie gebeurt vanzelf door de van nature aanwezige bacteriën op de kool, zonder toevoeging van azijn. Belangrijk: koop ongepasteuriseerde zuurkool, want de pot uit het warme schap in de supermarkt is meestal gepasteuriseerd en bevat geen levende bacteriën meer. Ongepasteuriseerde zuurkool vind je in de koeling of bij natuurvoedingswinkels.

    Kimchi is het Koreaanse equivalent: gefermenteerde groenten (meestal Chinese kool) met knoflook, gember en chilipeper. Kimchi bevat een grote verscheidenheid aan Lactobacillus-stammen en wordt traditioneel rauw gegeten, wat de levende bacteriën intact houdt. Beide producten zijn ook een goede bron van vezels en vitamines.

    Kombucha

    Kombucha is gefermenteerde thee, gemaakt met een zogenaamde SCOBY (een symbiotische cultuur van bacteriën en gisten). Het drankje bevat levende micro-organismen en heeft een licht zure, soms bruisende smaak. De hoeveelheid probiotica in kombucha verschilt sterk per merk en brouwsel, en is over het algemeen lager dan in kefir of yoghurt. Kombucha bevat ook kleine hoeveelheden alcohol (vaak 0,5 tot 3%), wat relevant kan zijn voor mensen die dat willen vermijden.

    Natto en tempeh: gefermenteerde sojaproducten

    Natto is een Japans product van gefermenteerde sojabonen met de bacterie Bacillus subtilis. Het heeft een uitgesproken smaak en plakkerige structuur, maar is een van de rijkste bronnen van probiotica in vaste voeding. Natto is in Nederland te koop bij Aziatische supermarkten en sommige natuurvoedingswinkels.

    Tempeh is eveneens van gefermenteerde soja, maar dan met een schimmel (Rhizopus oligosporus). Tempeh bevat minder levende bacteriën dan natto, maar is wel een goede plantaardige eiwitbron. Rauw of licht gebakken tempeh heeft meer probiotisch potentieel dan sterk verhitte tempeh.

    Rauwmelkse kaas

    Bepaalde harde kazen, met name die van rauwe (ongepasteuriseerde) melk, bevatten nog levende bacterieculturen. Denk aan sommige soorten Gouda, Parmezaan of Gruyère. De bacteriën overleven de rijping gedeeltelijk en bereiken zo het spijsverteringskanaal. Gewone gepasteuriseerde kaas bevat nauwelijks probiotica.

    Miso

    Miso is een Japanse pasta van gefermenteerde sojabonen, soms gecombineerd met rijst of gerst. Het wordt veel gebruikt in soepen en sauzen. Voeg miso toe aan eten dat niet meer kookt, want hoge temperaturen doden de levende bacteriën. Een goede manier: roer miso door warm (maar niet kokend) water voor een snelle misosoep.

    Waar zit veel probiotica in: een snel overzicht

    • Kefir (melk of water): hoge diversiteit aan stammen, een van de rijkste bronnen
    • Yoghurt met levende culturen: breed verkrijgbaar, kies voor gekoeld en ongepasteuriseerd na fermentatie
    • Zuurkool (ongepasteuriseerd): koop uit de koeling, niet van het warme schap
    • Kimchi: rijk aan Lactobacillus-stammen, rauw eten
    • Kombucha: variabele hoeveelheid, lichte alcoholgehalte
    • Natto: zeer rijk, maar uitgesproken smaak
    • Tempeh: meer effect bij minder verhitting
    • Miso: niet verhitten na toevoeging
    • Rauwmelkse kaas: lager gehalte, maar bijdrage aan diversiteit

    De grootste valkuil bij al deze producten is verhitting: zodra ze worden gekookt of gepasteuriseerd, zijn de levende bacteriën dood. Eet ze dus rauw, uit de koeling of voeg ze toe aan gerechten nadat het vuur uit is. Kefir en ongepasteuriseerde zuurkool zijn voor de meeste mensen de makkelijkste keuze om dagelijks meer probiotica binnen te krijgen zonder supplementen.

  • Waar zit veel vitamine B6 in? De beste voedingsbronnen op een rij

    Waar zit veel vitamine B6 in? De beste voedingsbronnen op een rij

    Vitamine B6 zit het meest in vlees, vis, gevogelte, aardappelen, bananen en peulvruchten. Dit zijn de voedingsmiddelen waarmee je dagelijks het makkelijkst voldoende B6 binnenkrijgt. Omdat je lichaam vitamine B6 niet zelf aanmaakt, ben je volledig afhankelijk van wat je eet (of eventueel supplementen, al kleven daar risico’s aan).

    Waar zit veel B6 in: de beste bronnen

    Dierlijke producten leveren over het algemeen de meeste vitamine B6 per portie. Kip en kalkoen staan bovenaan: een portie kipfilet van 100 gram bevat al snel 0,7 tot 0,9 mg B6. Varkensvlees en rundvlees leveren vergelijkbare hoeveelheden. Vis scoort ook goed, met name zalm, tonijn en makreel. Een portie zalm van 100 gram bevat gemiddeld rond de 0,8 mg B6.

    Onder de plantaardige bronnen springen aardappelen eruit. Eén gekookte aardappel van gemiddelde grootte levert al zo’n 0,3 tot 0,4 mg. Bananen zijn eveneens een bekende bron: één middelgrote banaan bevat ongeveer 0,4 mg vitamine B6. Peulvruchten zoals kikkererwten en linzen doen ook goed mee, zeker als je weinig vlees eet.

    • Kipfilet (100 g): circa 0,7 tot 0,9 mg
    • Zalm (100 g): circa 0,8 mg
    • Tonijn (100 g): circa 0,6 tot 0,9 mg
    • Varkensvlees (100 g): circa 0,5 tot 0,8 mg
    • Aardappel (1 middelgroot, gekookt): circa 0,3 tot 0,4 mg
    • Banaan (1 stuk): circa 0,4 mg
    • Kikkererwten (100 g, gekookt): circa 0,1 tot 0,2 mg
    • Volkorenbrood (2 sneetjes): circa 0,1 tot 0,2 mg

    Let op: koken verlaagt het B6-gehalte van voedsel. Stomen of kort roerbakken houdt meer vitamine B6 in het product dan lang koken in veel water.

    Hoeveel vitamine B6 heb je per dag nodig?

    Volwassenen hebben dagelijks ongeveer 1,5 mg vitamine B6 nodig. Zwangere vrouwen en mensen boven de 50 jaar kunnen iets meer nodig hebben. Met een gevarieerd eetpatroon dat vlees, vis of peulvruchten bevat, haal je die hoeveelheid meestal gewoon via je voeding.

    Een praktisch voorbeeld: een dag met een banaan als tussendoortje, een portie kipfilet bij het avondeten en wat aardappelen als bijgerecht levert al snel meer dan 1,5 mg B6. Je hoeft dus niet speciaal te zoeken naar B6-rijke producten als je gevarieerd eet.

    Vitamine B6 en supplementen: wees voorzichtig

    Veel mensen grijpen naar B6-supplementen, maar dat is niet zonder risico. Lareb, het Nederlands bijwerkingen centrum, waarschuwt dat langdurig gebruik van voedingssupplementen met hoge doses vitamine B6 zenuwschade kan veroorzaken. Dit geldt met name voor supplementen met doses van 10 mg per dag of meer, ver boven wat je via gewone voeding binnenkrijgt.

    Via normale voeding is een overdosis B6 nagenoeg onmogelijk. Het risico zit vrijwel uitsluitend in supplementen en voedingssupplementencocktails die meerdere vitaminen combineren. Controleer altijd de hoeveelheid B6 op het etiket als je een multivitamine gebruikt.

    Wat doet vitamine B6 in je lichaam?

    Vitamine B6 speelt een rol bij de aanmaak van rode bloedcellen, het goed functioneren van je zenuwen en de werking van je immuunsysteem. Een tekort komt relatief weinig voor bij mensen die gevarieerd eten, maar kan zich uiten in vermoeidheid, huidproblemen of een verminderde weerstand.

    Groepen die vaker een tekort hebben zijn mensen die weinig vlees eten zonder alternatieven te compenseren, ouderen met een eenzijdig dieet, en mensen met bepaalde darmaandoeningen die de opname van vitaminen belemmeren.

    De eenvoudigste manier om voldoende vitamine B6 binnen te krijgen is een gevarieerd eetpatroon met regelmatig vlees, vis, aardappelen of peulvruchten. Supplementen zijn in de meeste gevallen niet nodig en brengen bij hoge doses aantoonbare risico’s met zich mee.

  • Waar zit veel natrium in? De voedingsmiddelen met de hoogste natriumgehaltes

    Waar zit veel natrium in? De voedingsmiddelen met de hoogste natriumgehaltes

    Veel natrium zit vooral in bewerkte en gezouten producten: denk aan vleeswaren zoals bacon en salami, gezouten vis en visproducten zoals kaviaar, gerijpte kazen zoals feta, en ingemaakte producten zoals olijven. Dit zijn de voedingsmiddelen die het meeste natrium bevatten, vaak al in kleine hoeveelheden.

    Natrium is de stof in keukenzout die verantwoordelijk is voor de zoute smaak. De aanbevolen dagelijkse hoeveelheid natrium voor volwassenen ligt rond de 2.000 milligram per dag, wat overeenkomt met ongeveer 5 gram zout. In de praktijk eten de meeste mensen in Nederland meer dan dat, grotendeels door bewerkte producten.

    Voedingsmiddelen waar veel natrium in zit

    Kaviaar staat bovenaan als het gaat om natriumgehalte. Viskuit wordt traditioneel gezouten om te conserveren, waardoor het zoutgehalte extreem hoog uitvalt. Hoewel kaviaar niet dagelijks op het menu staat, is het goed om te weten dat een kleine portie al een flinke hoeveelheid natrium bevat.

    Olijven zijn een andere rijke bron. Ze worden bewaard in pekel, een zoutwateroplossing, wat het natriumgehalte sterk verhoogt. Tien groene olijven kunnen al snel 300 tot 400 milligram natrium bevatten. Spoelen met water voor het eten helpt een deel van het zout te verwijderen.

    Bacon en salami zijn klassieke vleeswaren met een hoog natriumgehalte. Bij het maken van deze producten wordt zout gebruikt als conserveringsmiddel en smaakmaker. Twee tot drie plakjes bacon bevatten al gauw 500 milligram natrium of meer. Salami scoort vergelijkbaar, soms zelfs hoger per 100 gram.

    Feta is een kaas die van nature veel zout bevat, deels door het productieproces waarbij de kaas in pekel rijpt. Per 100 gram bevat feta doorgaans rond de 1.000 tot 1.200 milligram natrium. Andere sterk gerijpte of harde kazen zoals parmezaan en oude Gouda bevatten ook relatief veel natrium, al is feta daar een uitschieter in.

    Meer producten met een hoog natriumgehalte

    Buiten de toplijst zijn er nog veel meer producten waar natrium in zit. Brood is een onverwachte bron: twee sneetjes volkorenbrood bevatten al snel 300 tot 400 milligram natrium. Dat telt snel op als je meerdere boterhammen per dag eet. Soep uit blik of pakken is een andere bekende bron, met soms meer dan 800 milligram natrium per portie.

    Kant-en-klaarmaaltijden en sauzen zoals ketjap, sojasaus en worcestershiresaus bevatten erg veel natrium. Eén eetlepel sojasaus bevat al ongeveer 900 tot 1.000 milligram natrium, wat bijna de helft van de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid is. Chips, crackers en andere hartige snacks zijn ook snelle natriumbronnen: een zakje chips van 50 gram bevat al gauw 200 tot 400 milligram.

    Augurken en andere ingemaakte groenten lijken gezond, maar door het pekelen bevatten ze veel natrium. Hetzelfde geldt voor zuurkool. Bouillonblokjes en kruidenmixen zijn eveneens sterk geconcentreerde natriumleveranciers; één bouillonblokje kan al 900 milligram of meer bevatten.

    Hoe herken je natrium op het etiket?

    Op verpakkingen staat natrium soms vermeld als “natrium” en soms als “zout”. Het verschil is belangrijk: natrium en zout zijn niet hetzelfde getal. Om van natrium naar zout te rekenen, vermenigvuldig je het natriumgetal met 2,5. Staat er 800 mg natrium op het etiket, dan gaat het om 2 gram zout. Staat er “zout”, dan deel je dat getal door 2,5 om het natriumgehalte te weten.

    Let bij het boodschappen doen op producten met een groen vinkje of een lage natriumwaarde. Als vuistregel geldt: een product met meer dan 600 mg natrium per 100 gram is natriumrijk. Minder dan 120 mg per 100 gram geldt als natriumarm.

    Wanneer is veel natrium een probleem?

    Te veel natrium verhoogt de bloeddruk bij mensen die daar gevoelig voor zijn, en dat kan op de lange termijn het risico op hart- en vaatziekten verhogen. De meeste gezonde mensen met gezonde nieren verwerken een matige overschrijding zonder directe problemen, maar structureel te veel zout eten is voor vrijwel niemand verstandig.

    Mensen met hoge bloeddruk, nierproblemen of hartaandoeningen krijgen van artsen vaak het advies om de natriuminname te beperken. In dat geval is het extra zinvol om de producten hierboven bewust minder te eten of lagere-zout-varianten te kiezen, die tegenwoordig in de meeste supermarkten te vinden zijn.

    Wie dagelijks veel bacon, kaas, vleeswaren, kant-en-klaarmaaltijden en zoutrijke sauzen eet, komt al snel boven de aanbevolen hoeveelheid natrium uit zonder het te merken. De meeste natrium is verstopt in bewerkte producten, niet in het zout dat je zelf toevoegt tijdens het koken. Dat maakt het lezen van etiketten een van de eenvoudigste manieren om je inname in de gaten te houden.

  • Waar zit veel biotine in? De beste voedingsbronnen op een rij

    Waar zit veel biotine in? De beste voedingsbronnen op een rij

    Veel biotine zit vooral in eieren, lever, melk en noten. Dit zijn de voedingsmiddelen waar je het meeste vitamine B8 (biotine) uit haalt. Als je weet welke producten het rijkst zijn aan biotine, kun je snel zien of je dagelijkse voeding voldoende van dit vitamine bevat.

    Voedingsmiddelen waar veel biotine in zit

    Lever is de absolute topper als het gaat om biotinegehalte. Runderlever bevat per portie verreweg de meeste biotine van alle gangbare voedingsmiddelen. Ook kippenlevertjes scoren hoog. Lever is dan ook een van de meest voedzame producten die je kunt eten als je snel je biotineinname wilt verhogen.

    Eieren zijn een andere uitstekende bron, maar hier zit een belangrijke kanttekening bij. Het biotine in een ei zit in de dooier. Het eiwit bevat het eiwit avidine, een stof die biotine bindt en de opname ervan blokkeert. Eet je dus veel rauwe eieren, dan neem je per saldo minder biotine op dan je zou verwachten. Door eieren te koken of bakken wordt avidine onwerkzaam en neem je het biotine uit de dooier gewoon goed op.

    Melk en andere zuivelproducten zoals kaas en yoghurt leveren ook een bijdrage aan je dagelijkse biotine-inname, al is het gehalte lager dan bij lever of eieren. Voor mensen die dagelijks zuivel eten, telt dit toch op.

    Noten en zaden zijn goede plantaardige bronnen. Vooral walnoten, amandelen en zonnebloempitten bevatten redelijke hoeveelheden biotine. Een handjevol per dag helpt al mee.

    Plantaardige bronnen van biotine

    Naast noten leveren ook peulvruchten zoals sojabonen en linzen biotine. Groenten bevatten over het algemeen minder biotine, maar bloemkool, zoete aardappel en spinazie steken er nog relatief gunstig uit. Volkoren granen en graanproducten dragen ook bij, al is het gehalte per portie bescheiden.

    Voor mensen die geen vlees eten, is een combinatie van noten, zaden, peulvruchten, eieren en zuivel de beste manier om voldoende biotine binnen te krijgen. Puur plantaardig zonder eieren of zuivel vraagt wat meer aandacht, maar is met gevarieerde voeding goed te doen.

    Hoeveel biotine heb je per dag nodig?

    Volwassenen hebben naar schatting zo’n 40 microgram biotine per dag nodig. Een portie runderlever van 75 gram kan die dagbehoefte al ruimschoots dekken. Twee gekookte eieren leveren al een flink deel. Bij een gevarieerd voedingspatroon met bovenstaande producten is een tekort in de praktijk zeldzaam.

    Te veel biotine is voor de meeste mensen geen probleem. Biotine is wateroplosbaar, wat betekent dat je een overschot gewoon via de urine uitplast. Er zijn geen bekende schadelijke effecten bij een hoge inname via voeding.

    Waar zit weinig biotine in?

    Fruit, suiker, bewerkte snacks en frisdrank bevatten nauwelijks biotine. Een voedingspatroon dat vooral uit deze producten bestaat, loopt sneller het risico op een lage biotine-inname. Hetzelfde geldt voor diëten waarbij lever, eieren en noten volledig worden gemeden.

    Wil je snel weten of je genoeg biotine binnenkrijgt, kijk dan als eerste naar je inname van eieren, zuivel en noten. Die drie productgroepen vormen voor de meeste mensen de basis van hun dagelijkse biotine-inname, en zijn makkelijk in een gewoon voedingspatroon in te passen.

  • Soorten eten: een overzicht van alle voedselgroepen en wat je echt binnenkrijgt

    Soorten eten: een overzicht van alle voedselgroepen en wat je echt binnenkrijgt

    Er zijn tientallen soorten eten, maar ze vallen grofweg in een handvol hoofdgroepen: groenten, fruit, granen, peulvruchten, noten en zaden, zuivel, vlees, vis en vetten. Elke groep levert andere voedingsstoffen, en samen vormen ze de basis van een gevarieerd eetpatroon. Hieronder vind je een helder overzicht van de belangrijkste categorieën, wat ze bevatten en wanneer je ze eet.

    De belangrijkste soorten eten op een rij

    Voeding wordt ingedeeld op basis van herkomst en samenstelling. De meest gebruikte indeling werkt met zeven hoofdgroepen:

    • Groenten: rijk aan vezels, vitaminen en mineralen, vrijwel altijd laag in calorieën.
    • Fruit: bevat natuurlijke suikers, vitaminen (vooral vitamine C) en antioxidanten.
    • Granen en graanproducten: brood, pasta, rijst, haver. Leveren koolhydraten en, in de volkoren variant, ook vezels en B-vitaminen.
    • Peulvruchten: linzen, kikkererwten, bruine bonen. Goed voor eiwit én vezels, en plantaardig.
    • Noten en zaden: hoog in gezonde vetten, eiwit en magnesium.
    • Zuivel en alternatieven: melk, yoghurt, kaas en plantaardige varianten zoals sojamelk. Bron van calcium en eiwit.
    • Vlees, vis, ei en vleesvervangers: de voornaamste bronnen van volledig eiwit en vitamine B12.

    Vetten en oliën vormen een achtste categorie. Ze zijn geen maaltijd op zichzelf, maar onmisbaar voor de opname van vetoplosbare vitaminen (A, D, E en K). Denk aan olijfolie, roomboter en vette vis zoals zalm of makreel.

    Plantaardige soorten eten: meer variatie dan je denkt

    Plantaardige voedingsmiddelen omvatten veel meer dan alleen sla en broccoli. Groenten, fruit, granen, peulvruchten, noten, zaden, kruiden en specerijen tellen allemaal mee. Wie bewust let op variatie, ontdekt al snel dat zelfs een alledaagse maaltijd meerdere plantensoorten bevat: een bord chili met kidneybonen, tomaat, paprika, ui en knoflook telt al vijf soorten.

    In voedingsonderzoek duikt steeds vaker de aanbeveling op om minstens 30 verschillende plantsoorten per week te eten. Dat klinkt veel, maar kruiden en specerijen tellen gewoon mee. Een snuf komijn, een takje tijm of een handje walnoten helpt je al verder. De gedachte erachter is dat een grotere variatie in planten de diversiteit van de darmbacteriën vergroot, wat positief uitpakt voor de spijsvertering en het immuunsysteem.

    Dierlijke soorten eten: eiwit, vetten en vitaminen

    Vlees, vis, schaal- en schelpdieren, eieren en zuivel leveren volledig eiwit: ze bevatten alle essentiële aminozuren die je lichaam zelf niet aanmaakt. Vette vis (zalm, haring, makreel) is ook een van de beste bronnen van omega-3-vetzuren, die een rol spelen bij de hersenfunctie en het hart. Vlees, vooral rood vlees, bevat ijzer in een goed opneembare vorm (heemijzer).

    Ei is opvallend veelzijdig: het bevat vrijwel alle voedingsstoffen behalve vitamine C, en is relatief goedkoop. Zuivel levert calcium voor botten en tanden. Wie geen zuivel eet, haalt calcium uit groene bladgroenten, amandelen of verrijkte plantaardige melk.

    Bewerkt versus onbewerkt eten

    Naast de indeling op herkomst kun je eten ook opdelen naar bewerkingsgraad. Onbewerkt of minimaal bewerkt eten (verse groenten, fruit, peulvruchten, noten, eieren) bevat de voedingsstoffen grotendeels intact. Matig bewerkt eten (yoghurt, brood, kaas, ingeblikte tomaten) is omgezet maar bevat weinig toevoegingen. Sterk bewerkt eten (kant-en-klaarmaaltijden, chips, frisdrank, koek) bevat vaak veel toegevoegd zout, suiker of vet en weinig vezels.

    Dat maakt sterk bewerkt eten niet automatisch “verboden”, maar het loont om er bewust mee om te gaan. Wie het merendeel van zijn eetpatroon vult met onbewerkte of matig bewerkte producten, en sterk bewerkt eten beperkt houdt, zit al een heel eind goed.

    Hoeveel soorten eten heb je per dag nodig?

    Het Voedingscentrum werkt met de schijf van vijf: een model dat de vijf hoofdgroepen (groenten en fruit, granen en aardappelen, zuivel en noten, vlees en vis, vetten) in de juiste verhouding weergeeft. Een concrete dagindeling ziet er voor een volwassene globaal zo uit:

    Groep Dagelijkse richtlijn (volwassene)
    Groenten 250 gram
    Fruit 200 gram (circa 2 stuks)
    Volkoren graanproducten 4 tot 8 sneden brood of gelijkwaardig
    Zuivel 2 tot 3 porties (bv. glas melk + bakje yoghurt)
    Peulvruchten, noten, vlees of vis Dagelijks wisselen; vis 1 tot 2 keer per week
    Vetten en oliën Kleine hoeveelheden, bij voorkeur onverzadigd

    Dit zijn richtlijnen, geen strikte regels. Iemand die veel beweegt, heeft meer koolhydraten nodig. Iemand die plantaardig eet, let extra op eiwit, B12, ijzer en calcium.

    Veelgestelde vragen over soorten eten

    Tellen kruiden en specerijen als een aparte soort? Ja, in de context van plantaardige variatie tellen ze gewoon mee. Een snuf kaneel of een lepel kurkuma is een apart plantensoort.

    Is bruin brood hetzelfde als volkoren? Nee. Brood kan bruin zijn door kleurstof of een mix van meel. Volkoren brood is gemaakt van heel graan en bevat meer vezels en voedingsstoffen. Kijk op de verpakking naar “100% volkoren”.

    Moet je elke groep dagelijks eten? Grotendeels wel, maar over een week middelen mag. Als je één dag weinig groenten eet, zorg dan dat je de volgende dag meer pakt. Je lichaam houdt bij over langere periodes, niet per uur.

    Zijn plantaardige varianten altijd gezonder? Niet vanzelfsprekend. Plantaardige kaas of vleesvervangers kunnen sterk bewerkt zijn en veel zout bevatten. Vergelijk de ingrediëntenlijst met het origineel voordat je aanneemt dat de plantaardige versie beter is.

    De eenvoudigste manier om meer variatie te krijgen, is klein beginnen: vervang één keer per week een bekende groente door iets wat je zelden eet, voeg een handvol extra peulvruchten toe aan een soep, of strooi andere kruiden over je eten. Meer variatie in soorten eten hoeft geen grote omschakeling te zijn. Het zijn de kleine, consequente keuzes die op den duur het verschil maken.

  • Koolhydraten waarvan suikers: wat staat er op het etiket en wat betekent het?

    Koolhydraten waarvan suikers: wat staat er op het etiket en wat betekent het?

    “Koolhydraten, waarvan suikers” op een voedingsetiket betekent dat je ziet hoeveel van de totale koolhydraten uit suikers bestaat. Suikers zijn een onderdeel van koolhydraten, geen aparte voedingsstof. De regel “waarvan suikers” vertelt je dus welk deel van de koolhydraten snel door je lichaam wordt opgenomen.

    Stel, een product bevat 30 gram koolhydraten per 100 gram, waarvan 12 gram suikers. Dan bestaat bijna de helft van die koolhydraten uit suikers. De rest (18 gram) bestaat uit langzamere koolhydraten, zoals zetmeel of voedingsvezels.

    Wat zijn koolhydraten precies?

    Koolhydraten zijn een van de drie hoofdvoedingsstoffen, naast eiwitten en vetten. Ze leveren energie aan je lichaam. Koolhydraten komen in verschillende vormen voor: enkelvoudige suikers (zoals glucose en fructose), tweevoudige suikers (zoals sacharose en lactose) en meervoudige koolhydraten (zoals zetmeel en voedingsvezels).

    Op een etiket worden al deze vormen bij elkaar opgeteld onder “koolhydraten”. De regel “waarvan suikers” filtert daar de enkelvoudige en tweevoudige suikers uit. Dat zijn de korte ketens, ook wel snelle of eenvoudige suikers genoemd. Ze worden sneller opgenomen en zorgen sneller voor een stijging van je bloedsuiker dan zetmeel of vezels.

    Wat betekent “waarvan suikers” op het etiket?

    De aanduiding “waarvan suikers” is verplicht op verpakte voedingsmiddelen in de Europese Unie. Het gaat om alle suikers die van nature in een product zitten plus toegevoegde suikers samen. Het etiket maakt geen onderscheid tussen die twee. Een glas sinaasappelsap en een glas frisdrank kunnen dus allebei een hoog getal bij “waarvan suikers” laten zien, ook al zijn de suikers in het sap puur van nature aanwezig.

    Dat is een punt om op te letten. Een hoge suikerwaarde op het etiket zegt niet automatisch dat er veel suiker is toegevoegd. Volle melk bevat bijvoorbeeld van nature zo’n 4,7 gram suiker per 100 ml (dit is lactose), terwijl er niets extra aan is toegevoegd. Yoghurt met fruit kan een hoog getal laten zien doordat de fruitsuikers meetellen.

    Wat is een hoog of laag suikergehalte?

    Als richtlijn geldt in de EU:

    • Weinig suiker: maximaal 5 gram suiker per 100 gram (of 2,5 gram per 100 ml voor vloeistoffen)
    • Veel suiker: meer dan 22,5 gram suiker per 100 gram

    Bij vaste producten zoals koekjes, ontbijtgranen of sauzen is dit een handige manier om snel te vergelijken. Ligt het getal bij “waarvan suikers” boven de 22,5 gram per 100 gram, dan gaat het om een suikerrijk product. Zit het onder de 5 gram, dan is het relatief laag.

    Suikers versus totale koolhydraten: waar kijk je naar?

    Of je beter naar de totale koolhydraten kijkt of naar de suikers afzonderlijk, hangt af van je doel. Wil je je bloedsuiker stabiel houden of let je op je gewicht? Dan zijn de suikers een nuttige indicator, omdat die sneller worden opgenomen en een piek in je bloedsuiker kunnen veroorzaken. Eet je koolhydraatarm (zoals bij een keto-dieet)? Dan tel je alle koolhydraten mee, soms min de vezels.

    Voor de gemiddelde persoon zonder specifiek dieet is de verhouding het meest informatief. Een product met 40 gram koolhydraten waarvan slechts 2 gram suikers bevat waarschijnlijk veel zetmeel of vezels. Dat is langzamere energie. Een product met 40 gram koolhydraten waarvan 35 gram suikers levert die energie veel sneller, met een grotere piek in je bloedsuiker als gevolg.

    Toegevoegd suiker versus van nature aanwezig suiker

    Het etiket telt beide soorten suikers bij elkaar op. Dat maakt het soms lastig om te beoordelen hoe “gezond” een product is. Een handige aanvulling: kijk naar de ingrediëntenlijst. Als sacharose, glucose(-fructosestroop), invertsuiker, dextrose of honing hoog in de lijst staan, is er veel suiker toegevoegd. Staan die er niet in, maar is het suikergehalte toch hoog, dan is de suiker waarschijnlijk van nature aanwezig (zoals in fruit of melk).

    De “waarvan suikers”-regel op het etiket geeft je dus een eerste, snelle indruk. Voor een volledig beeld kijk je ook altijd even naar de ingrediëntenlijst ernaast. Zo weet je niet alleen hoeveel suiker een product bevat, maar ook waar die vandaan komt.